Een mens vraagt zich af: zit James Bullock nou een prachtig schilderij te bewonderen, of kijkt hij naar een computerscherm waar golfjes en ander hemels gedruis in kleurtjes van de regenboog worden vertaald.
James Bullock is een cosmologist die een artikel geschreven heeft over dark matter and the origin of life. Cosmologist, zoals in de zin: "he is a cosmologist, working on the statistical measures of the spatial distribution of galaxies and galaxy formation". De Nederlandse taal kent dit begrip niet - zeg maar astronoom, vermoedelijk omdat het niet zo heel erg veel lichtjaren verwijderd is van astroloog.
Mijn aandacht werd gegrepen door deze subtitel: How material we’d never notice if we kept our eyes on Earth alone helped give rise to all that we are.
Ik dacht: aha, we hebben iets buiten onze aardse atmosfeer gezien dat ons heeft geholpen onze technologie verder te ontwikkelen.
Ik dacht ook: moeten scholars echt in het heelal kijken om op ideeën te komen om onze technologie op weg te helpen?
De eerste alinea alleen al.
The origin of life is one of the great mysteries of science. Even the definition of life is widely debated. But one thing that’s agreed upon is this: complex molecules are required. This is because life does amazingly elaborate things: it extracts energy from its environment, it replicates, and it evolves by natural selection. Intricate biochemical machinery like this requires a set of intricate building blocks.
Volgens mij is er mystery en is er science. Mysteries of science ken ik niet.
Nou ja, a mystery is het dat ze in science blijken het over één ding eens te zijn: complex molecules are required for life. Ze weten niet wat life is ... en je mag dus hopen dat ze het ook over dingen eens zijn waar ze wel iets vanaf weten.
Life does amazingly things: it extracts energy from its environment.
Okay, de aarde niet in haar beweging om de zon, gaat dat allemaal gratis?
De zon niet, in haar beweging door het melkwegstelsel?
Een vulkaan die erupteert onttrekt geen energie aan de aarde?
A set of intricate building blocks is required voor leven. Goh, ben ik even blij. Stel je voor dat een legodoos volstaan had voor mijn vader om mij ter wereld te brengen. En dat in een tijd dat er nog geen lego was - dat zou pas een wonder zijn geweest.
En zo komen er heel wat uitspraken langs.
You can’t build a self-replicating cell out of hydrogen and helium, much less a dinosaur or an upright ape.
Well, they did, didn't they. Er was de big bang - als je er in gelooft, als essentie bedoel ik - er kwam ook dark matter, in welke volgorde weet ik niet, wil ik ook niet weten, maar hier ben ik en ik schrijf dit op.
... modern cosmology tells us that our Universe is governed by two mysterious substances - dark matter and dark energy. [...] Luckily for us, dark matter has [beaten dark energy] for most of cosmic time, particularly in the all-important early stages.
Ja, en ik weet ook wat de oude kosmologie mij vertelde.
En, ik zal het nooit meemaken, meine Nachjenseitszeit, maar ik ben heel benieuwd wat postmodern cosmology will tell us.
NB hou die titanenstrijd tussen dark matter en dark energy even in Uw achterhoofd ... er komt nog moraal
Our Galaxy, the Milky Way, would have never collapsed out of the expanding rush of the Big Bang without the aid of dark matter’s pull. That means no Sun, no Earth, and no you.
Wie weet, maar wie zou er geweest zijn om ons dat te vertellen?
The primordial soup.
Wat een uitdrukking. Om Wagner maar eens positief te citeren: It sweeps our ignorance under the rug by giving it a different name.
Maar goed, ... when that soup of hydrogen, helium, and dark matter emerged from the Big Bang, everything was expanding. This isn’t the best situation for building complexity.
Nee, maar gelukkig not every part of the Universe kept expanding. Hè, eind goed al goed.
Had there been no dark matter in the beginning, there would have been a much lower level of primordial structure and much less gravity to make those tiny imperfections grow. The resulting universe today would be unrecognizable.
Oh ja, voor wie dan?
En als iemand dat had mogen aanschouwen, zou die dan het ons nu bekende universum niet als onherkenbaar - lees: vreemd, onwezenlijk - ervaren?
Het is duidelijk: dark matter heeft ons niet geholpen verder te komen dan ploegschaar en wiel. Dark matter is de oorzaak van onze existentie.
Maar .. en nu moet U op gaan passen ... early on, [dark matter] easily won its battle with dark energy in this regard. But if indications are correct, all of this is about to change. Relative to dark matter, the effect of dark energy is growing stronger with time. Dark matter is doomed to lose its cosmic arm wrestling match in a big way. When the Universe is a few times its current age, virtually all new galaxy formation will cease.
Oy veh.
Zelfs ik word stil bij dit visioen: nooit zullen wij meer een ster geboren zien worden.
It will be a last triumphant opportunity for our Universe to produce life, and maybe even a few critters to look up at the stars and wonder how they came to be.
Ik ben even confused: ernstige zaken die leiden tot a last triumphant opportunity, maar ... wellicht dat een paar armzalige schepselen het in verwondering mogen aanschouwen.
Revelations.
En een mens - dit mens - vraagt zich af: wat heb ik nou liever: een abstract kijkje in het heelal, voorgetoverd door iemand die een beeldscherm heeft verbonden met een telescoop ... of een orkest in de provincie die mij een stukje oude, of klassieke, of hedendaagse muziek laat horen.
Je kunt, zoals ik, je wenkbrauwen fronsen bij dit soort verhaaltjes. Niets wordt hier verteld.
Een sprookje misschien.
Het gaat de ruimte in. Dus, je mag het misschien wel gebazel noemen.
Ook wel: gelul.
Maar, het wordt gereblogged, de links worden doorgegeven, als een lopend vuurtje gaat het over internet.
Het gaat er in, bij een schare die niemand tellen kan ... als Gods woord in een ouderling.
Thursday, November 27, 2014
Tuesday, November 4, 2014
roeren in de oersoep
Given a rabbit in the hat, a magician can pull it out
but how to get rabblebits into the genetic hat?
parodying David L. Wilcox
Er is een eeuwigheid aan tijd. Heel belangrijk te onderkennen: er ligt een eeuwigheid voor ons, maar er ligt ook een eeuwigheid achter ons. Het wetenschappelijk geneuzel over de big bang mag dus prietpraat genoemd worden (evenals de nucleosynthesis - niet als fenomenen, maar als oerzaken).
Waar komt die rotzooi vandaan die daar uit elkaar spatte?
En waarom spatte het uit elkaar.
Je zou natuurlijk van "onze" big bang kunnen spreken, maar ook dat zou hoogmoed zijn, die hoogmoed die weliswaar voor de val komt, maar na de val ook altijd weer opstaat. Want dan is het nog niet de onze, of iemand moet vastgesteld hebben dat wij op deze aarde de enigen zijn die weet hebben van die big bang.
Er is een oneindigheid aan ruimte. Er zijn naar buiten toe geen grenzen aan het universum.
Voor mij geldt dat ook naar binnen toe. Er is geen enkele rationele grondslag die het bestaan van oneindig groot kan accepteren, maar het bestaan van oneindig klein moet afwijzen. Dus, dat wat wij atoom noemen, zal voor een "anders geaard" wezen een universum zijn.
Of er een oneindigheid aan materie is weet ik niet.
Er zijn er die denken van niet: een oneindigheid aan materie veronderstelt een oneindigheid aan zonnestelsels, en dat betekent een oneindigheid aan licht, ofwel: nooit nacht.
Plausibel argument. Eén fietslampje in een bos zorgt niet voor verlichting, maar een oneindige hoeveelheid fietslichtjes maakt alle bomen zichtbaar, hoe groot dat bos ook is.
Ik denk dat logisch gesproken aangenomen mag worden dat een oneindige ruimte een oneindige hoeveelheid materie kan bevatten, zonder dat die ruimte potdicht zit, dus ik houd het er op dat er een oneindige hoeveelheid materie is.
Er is, in de context van dit verhaal, in ieder geval genoeg materie.
NB ik laat hier bewust in het midden hoe we materie moeten zien.
Die materie reageert op elkaar. Wij noemen dat chemische reacties, maar daar heeft de materie geen weet van. Er gebeurt gewoon wat er gebeurt.
Voor mij is dat al leven.
Ik weet wel, er is in "dode" materie geen spoor te vinden van wat wij homeostase of metabolisme noemen. Maar daarmee is dan ook iedere verklaring afwezig voor dat wat er spontaan gebeurt als twee deeltjes materie bij elkaar in de buurt komen. Hoe je het wendt of keert: ze "paren".
Wat daaruit ontstaat, én "enige tijd" blijft bestaan, heet voor hen die het waar kunnen nemen, op het moment van waarnemen "the fittest". Een woord dat uitgevonden is om dat naar believen als label te plakken op ... tja, op alles wat geleid heeft tot het uitvinden van het woord fittest.
Een vorm van circular definition, eigenlijk.
De verzameling of the fittest zag er enkele eons terug heel anders uit dan de onze, en zal er enkele eons verder ook weer anders uit zien. (Persoonlijk ben ik eigenlijk wel benieuwd of de uitvinders van het woord fittest dan nog onderdeel van die verzameling zijn.)
De oorzaak van het ontstaan kennen we niet altijd, in ieder geval niet de oeroorzaak, maar het resultaat kennen we wel. En daar laten we graag onze nieuwsgierigheid, onze drang naar inzicht op los.
Het probleem daarbij is: afstand.
Er zijn dingen die gebeuren waar we te dicht bovenop zitten, fenomenen waar we door betrokkenheid, of door gebrek aan referentie weinig tot niks over kunnen zeggen. We zien de details, maar geen grote lijn.
Er zijn dingen die gebeurd zijn, waarvan we alleen nog maar minieme sporen terug vinden. Niet eens kleitabletten, hier en daar een fossiel. We zien wel de grote lijn, maar geen details.
Gould schreef: But how can we possibly know in detail what small bands of hunter-gatherers did in Africa two million years ago? These ancestors left some tools and bones, and paleoanthropologists can make some ingenious inferences from such evidence. But how can we possibly obtain the key information that would be required to show the validity of adaptive tales about an EEA: relations of kinship, social structures and sizes of groups, different activities of males and females, the roles of religion, symbolizing, storytelling, and a hundred other central aspects of human life that cannot be traced in fossils? We do not even know the original environment of our ancestors—did ancestral humans stay in one region or move about? How did environments vary through years and centuries?
Ik ben er van overtuigd dat een analoog verhaal gehouden moet worden over mutations in the nucleotide sequence of the genome.
We kunnen die materiedeeltjes zodanig uiteenrafelen dat we de wijzigingen die die deeltjes bij paring ondergaan kunnen benoemen, smoel kunnen geven. Op het moment dat we dat doen, zijn we boekhouders.
En heel armzalige boekhouders. We moeten ons het apelazarus gissen bij de overgang van het ene fossiel naar het andere, en als de mens na een volgend evolutie-eon is overgegaan naar zeg een vliegende vis die ook in staat is om door de ruimte van het zonnestelsel te zwemmen dan wordt dat dat eon later wel geconcludeerd, maar dan wordt daar vandaag helemaal geen boekhouding van gevoerd.
Wel, maak dan als financieel directeur maar eens een fatsoenlijke verlies- en winstrekening op. Laat staan dat de risk manager of een analist van een hedge fund tot enige zinnige actie kan besluiten.
En nu is daar dan Andreas Wagner, met zijn ARRIVAL OF THE FITTEST die een nobele poging onderneemt om de vraag te beantwoorden: als evolutie een kwestie is van survival of the fittest, waar kwam dan die fittest vandaan. En hij en zijn medewerkers, en andere wetenschappers, hebben een model ontwikkeld waarmee kon worden aangetoond dat de natuur inderdaad in staat was om zodanige mutaties te genereren dat we vandaag de dag zien wat we zien.
Wel, dank je de koekoek.
Voor deze open deur.
Er is tijd genoeg, er is ruimte genoeg, er is materie genoeg - er is zelfs tijd ruimte materie genoeg voor die ewige Wiederkehr van Nietzsche - dus het zou eigenlijk eerder verwondering moeten wekken als we vandaag de dag niet veel meer waren dan bolletjes kroos op een plas met water - behalve dan dat er niemand zou zijn bij wie die verwondering opgewekt kon worden.
Maar daarmee geeft de evolutietheorie eigenlijk een groot brevet van onvermogen af, laat ze een lacune zien van jewelste. Want, verklaren waarom iets gebeurt betekent ook: verklaren waarom iets vergelijkbaars niet gebeurt.
Wagner ziet dat iets anders.
Hij zegt: Think of a library that is so large that it contains all possible strings of letters. Each volume in this library contains a different string, and there would be many more volumes than there are atoms in the universe. We could call that a universal library. It would contain a lot of nonsense, but it would also contain a lot of interesting texts—your biography, my biography, the life story of every human who’s been alive, the political history of every country, all novels ever written. And it would also contain descriptions of every single technological innovation, from fire to the steam engine, to innovations we haven’t made yet. Nature innovates with libraries much like that one.
Ik kan de metafoor wel aanvoelen, ook wel begrijpen, maar heb toch een beetje moeite met de toepassing. Temeer daar hij de metafoor afgeeft als vervolg op een retorische opening: Random chance still plays a role [...] But there’s actually an organization process that helps these organisms discover new things.
Maar ik voel ook iets anders aan mijn water. Is het mogelijk dat Wagner hier zeer dienstbaar is aan het geloof van ene Warfield, theoloog en nog geboren voordat Darwins magnum opus het licht zag, that evolution cannot act as a substitute for creation, but at best can supply only a theory of the method of the divine providence...
Ofwel: cryptocreationism?
Wordt het nou niet eens tijd om te verklaren, of althans een poging in die richting te ondernemen, waarom en wanneer iets fittest is.
En wordt het vooral niet eens tijd om te verklaren, als we dan zo veel weten, waarom er een heleboel vormen, heel natuurlijke vormen, niet ontstaan zijn, of bij de eerste de beste poging om de kop boven het maaiveld uit te krijgen, weggevaagd zijn.
In een paper Design Explanation: determining the constraints on what can be alive wordt door Arno Wouters het woord "design" als het ware de wereld van de functional biologists binnen gedragen. Hij prefereert de functional explanations die deze mannen afgeven onder de noemer design explanations te vangen. Hij concludeert dan: Design explanations address the question of why it is more useful to certain organisms to have a trait they have rather than some conceivable alternative.
Die conclusie volgt, nadat hij heeft opgeschreven: There are three types of limitations on living beings’ design: (1) it must be possible to generate individuals with that design, (2) once generated, a design must be viable (the organisms having that design must be able to stay alive), and (3) there must be an evolutionary path to that design.
Ik zou graag de niertjes van dat woordje "design" proeven - of die van Arno Wouters - (en (1) en (3) vallen samen, als ze al niet identiek zijn) maar het gaat me nu even om die conceivable alternatives, waar de library van Wagner van over moet lopen.
Is het misschien mogelijk non-design explanations af te geven voor dat wat o zo conceivable was en is?
Waarom leven er op de Noordpool geen poolbeertjes, half wit, half bruin, kleiner dan de ijsbeer en de bruine beer, maar fit genoeg om te overleven vanwege een sterke, zwiepende staart waarmee ze zich in razend tempo over de ijsvlakte kunnen bewegen, snel genoeg om aan predators te ontsnappen én om hun prey te bemachtigen.
Had niemand/niets zin om dat boek open te slaan?
Of heeft iemand/iets dat boek verbrand?
We zien de reeks van Fibonacci, en roepen: wat is de natuur toch knap.
De natuur is helemaal niet knap.
Ik kan een heleboel, heel natuurlijk ogende levensvormen bedenken die helemaal geen kans hebben gekregen bij al die ontelbare mutaties in die ontelbare eeuwen die achter ons liggen.
Zoals Michelangelo al dichtte:
la causa a l'effetto inclina e cede
onde dall'arte è vinta la natura *)
En, nu ik toch bezig ben, waarom is er geen leven op Jupiter.
Te ver van de zon vandaan, zeggen we dan.
Wel, laat mij Wagner nog eens citeren: For example, there is this interesting fish called the winter flounder, which lives close to the Arctic Circle, in very deep, cold waters—so cold that our body fluids would freeze solid. Yet this fish survives there. It turns out that its ancestors discovered a new class of antifreeze proteins that work a bit similar to the antifreeze in your car. It’s very easy to understand how natural selection could help such an innovation spread through a population of fish, since it helps them survive ...
Okay, ook ik vind het te koud op Jupiter. Het lijkt me een heel onherbergzaam oord, ik zou er niet graag wonen. Maar, de atmosfeer van onze aarde enkele eons terug was ook niet om te genieten voor de mens.
Dus, waarom is Jupiter onherbergzaam?
Als we nu op Venus woonden, adapted to the venusian fysical distortions, zou er zonder twijfel een knappe kop zijn, die voor een paradigma zorgde, in één of andere venusiaanse wetenschap, waarom de stellaire en interstellaire condities verhinderd hadden dat er leven op Aarde was ontstaan. En dat paradigma zou er toe leiden dat iedere wetenschapper dat versje keurig op zou zeggen, op examens, bij publicaties in Nature en in Science ... en ook nog wel op feestjes, want je wilt per slot als wetenschapper altijd serieus genomen blijven worden.
In bovengenoemd paper van Arno Wouters worden als voorbeeld de zoogdieren op het land, met longen, en de vissen in het water, met kieuwen, voorzien van een design explanation. Ik weet heel zeker dat, wanneer wij kieuwen hadden gehad en de vissen longen, dat paper evengoed zou zijn gepubliceerd ... met andere design explanations dan.
Ik vind dat ook hier een taak ligt voor evolutionisten.
Veel evolutionisten geloven dat we binnen overzienbare tijd alles weten en alles begrijpen.
Persoonlijk denk ik dat we eerder op Jupiter zullen staan.
U kunt mijn betoog over Venus schouderophalend afdoen. Maar een evolutionist zou dat niet moeten doen. Die zou moeten bedenken dat daar, op Jupiter antwoorden te vinden zijn. Die zou nu al aan een plan van aanpak moeten werken, zoals die zakenman die ruimtereizen wil verkopen, voor een laboratorium, en de juiste vragen gaan ophoesten, zodat we zicht kunnen krijgen op de knellende vraag:
Waarom is het op Jupiter nog steeds zo onherbergzaam?
of:
Waarom is op Jupiter alles inmiddels aan zijn eind gekomen?
Ik denk dat dat soort vragen niet, of te weinig wordt gesteld.
Roeren in de oersoep.
Ik heb het ooit iets plastischer uitgedrukt: roeren in de oerkut.
En dat is de smaak die overblijft: het is allemaal een beetje roeren in de oerkut van Mater Gloriosa, zodat we eindelijk onze identiteitscrisis op kunnen lossen en echt antwoord krijgen op de vraag: wie zijn we en waar komen we vandaan.
En vooral dat zo node gemiste antwoord op die vraag van onmetelijke importantie ... ook wel kwellend: waartoe zijn wij hier op aarde.
*) oorzaak buigt voor gevolg en legt zich daar bij neer
vandaar dat kunst de natuur heeft overwonnen
Thursday, October 30, 2014
terug van weg geweest
Ik moet dit verhaal vertellen.
Ik bedoel, ik heb het gevoel dat ik een boodschap moet doorgeven. Ik heb een ervaring gehad.
Ik hou niet van boodschappen, en al helemaal niet gedwongen. En ervaringen doen me griezelen.
Nog erger, je zou het ook wel een openbaring kunnen noemen. En ik heb toch echt helemaal niks met die Johannes van Patmos.
Ik moet er bij zeggen, het is niet vreemd dat ik die ervaring gehad heb.
Veel mensen, ook wetenschappers, denken bij eeuwigheid aan een halve eeuwigheid - de eeuwigheid die voor ze ligt. Maar ik heb ook oog voor die eeuwigheid die achter me ligt. Bij mij is het niet allemaal bij de big bang begonnen. Er was geen begin.
Veel mensen denken bij die oneindige ruimte aan het grote, het onmetelijk verspreide. Maar ik zie ook het oneindig kleine. Het uitdijende heelal is een feit, maar het ingekrompen universum op nanoniveau en nog kleiner bestaat ook.
Ik denk daarom dat het mijn ontvankelijkheid voor deze dingen is geweest die mij dit ... ja hoe zal ik het noemen ...
... laten we het doorkijkje noemen. Doorkijkje noem ik dat wat je krijgt als je in een Italiaans bergstadje dwaalt. En ineens kijk je door een steegje, een paar bogen halverwege ... goed restaurant trouwens, I Tre Archi ... en onder die boogjes door kijk je dan op de vallei of tegen een ander, verder weg liggend bergstadje.
Een doorkijkje dus.
Ik bevond mij in een voor mij vreemde ...
Nee, laat ik in de tegenwoordige tijd spreken, de ervaring was er intens genoeg voor.
Ik bevind mij in een voor mij onbekende wereld. Een soort platland, maar niet echt platland, het is driedimensionaal - kan zijn dat het ook meerdimensionaal is, ik ben niet zo goed in denken in meer dan drie ruimtelijke dimensies. Het is wel een wereld vol leven. Van afstand gezien ronde bolletjes die door elkaar heen krioelen, als in zo'n speelbak voor kleine kinderen in de grote winkelcentra. Maar U kunt beter aan een plas met kroos denken. Alleen dan bijna kleurloos.
Dat het leeft weet ik, omdat ik één van die bolletjes als metgezel heb; ik zou hem haast vriend gaan noemen, ware het niet dat hij zo vreemd is. Het is een soort bolvorm, ogenschijnlijk geen echte uiterlijke kenmerken. Geen gezicht, maar hij kan door vormverandering van een bepaalde plek, of door rimpeling wel expressie tonen. Hij heeft geen mond, maar hij praat wel met me.
Dat vond ik de eerste dag vreemd maar ik geloof dat ik het nu wel begrijp. Een vorm van telepathie, maar zijn woorden geven mij wel de indruk dat ik ze hoor. Engelse woorden. Ik noem de wezens dan ook dzjumpers. Denk aan jump, maar het is mijn manier van verstaan. Zoals een Engelse vriendin mij ooit zei: never missing an opportunity to surprise us with your pronunciation, eigh Leonardo.
De bollen springen om te bewegen. Wel, om elkaar iets te zeggen kunnen ze ook gewoon naar elkaar toe rollen.
Lèma Kátâ, dat is zijn naam, is ongeveer even hoog als ik, je mag hem fors noemen, vergeleken met anderen. Hij leidt me rond, vertelt me hier en daar wat, en heeft mij ook een computer gegeven waarmee ik allerlei dingen over zijn wereld kan lezen. Hij heeft mij een soort ruimte bezorgd, een open plek, niets heeft hier een dak boven het hoofd, waar ik ongestoord kan lezen en om mij heen zien. 's Morgens brengt hij me daarheen, 's avonds komt hij me ophalen.
's Avonds en 's morgens zijn relatieve aanduidingen, er is geen nacht, althans niet zolang ik hier ben. Maar er is wel rusttijd.
Ik heb een vaag, onrust gevend gevoel dat ik in een initiatiefase zit. Ik mag van alles lezen op de computer, maar er zijn grenzen. Zo gauw ik wil duiken in dat wat wij geschiedenis noemen, of verbanden probeer te zoeken analoog aan wat wij wel als samenleving zien, kom ik steeds in een zwart gat. Koetjes en kalfjes, huisje boompje beestje, dat is er genoeg.
Als ik zo een aantal dagen heb doorgebracht - ik tel mijn dagen maar naar de rustperiodes - komt Lèma Kátâ mij ophalen. Hij wordt vergezeld door een ander, soortgelijk wezen. Het blijkt zijn partner te zijn. Nu ik er over nadenk, ik zag ook vrouwelijke trekjes ... maar dat moet de begoocheling zijn waarmee mijn eigen brein de dingen naar zijn hand zet: ik kan natuurlijk alleen maar denken in mannelijk en vrouwelijk.
Kijk zegt Lèma Kátâ tegen Kátâ Langkâ, zo blijkt "ze" te heten, dit izzum dan. En zij zegt: dat heb je toch mooi voor elkaar gebokst. Ik kijk Lèma vragend aan: dat heb je ... maar hij zwaait afwerend heen en weer: dat gaan we de komende tijd bespreken.
Het maakt mij onrustiger dan ik mezelf wil toegeven, maar Kátâ is zulk aardig en vrolijk gezelschap dat ik mijn bezorgdheid ras voel verdwijnen. Mijn door menselijke driften gestuurde geest denkt onmiddellijk aan de seks tussen die twee - hoe zouden ze dat doen - maar wie vraagt zoiets aan een alleraardigste dame die hij net heeft leren kennen.
Überhaupt zou ik wel eens willen weten hoe het hier gaat met de voortplanting - daarover ook niks op de computer. Er is zichtbare natuur, allemaal bolachtige vormen, ook wel gecompliceerd, denk aan ballonnen die in meerdere delen gewrongen zijn om figuren te maken. 't Is allemaal een beetje kleurloos, saai. 't Is allemaal ook heel vreedzaam, alsof je zou mogen denken dat onze struggle, en het vechten tegen elkaar, als hoogste doel hebben de schoonheid van onze omgeving te bewerkstelligen.
Na een zeer aangename "avond" waarin mij veel gevraagd wordt over waar ik vandaan kom en hoe het daar is, en ik wel veel vertel - dat is mijn aard - maar waarin mijn vragen niet echt aan bod komen, gaan we rusten. Met de belofte van Lèma Kátâ dat de volgende dagen mij een hoop duidelijk zal worden. Ik zie wel dat Lèma en Kátâ dicht tegen elkaar aan liggen.
Als ze de volgende dag weggaan nodigen ze mij uit om hen te vergezellen. Tot nu toe had Lèma mij weggehouden van sociale contacten, maar nu word ik op zijn werk in een warm bad ondergedompeld. Hij blijkt een laboratorium onder zijn beheer te hebben. En hij stelt me voor aan veel van zijn medewerkers. En steeds diezelfde reactie: dit is toch wat je je .. ook wel: dit is precies wat we ons voorgesteld hebben. Ik word ook beduwd, eerst denk ik dat het een soort van begroeting is, maar mij wordt snel duidelijk dat het onderzoekingen zijn.
Dan neemt Lèma mij mee naar zijn werkplek. Ik wil je graag over één van mijn vorige projecten vertellen zegt hij.
Luister, je hebt gezien, en ik heb het je ook horen denken, dat wij hier in een nogal saaie omgeving leven. Zeg maar: een platte omgeving. Vandaar dat wij niet naar onszelf kijken, niet zoals jullie dat zo graag doen; wij kijken naar boven, in de ruimte. En zo hebben we één en ander over de ruimte opgestoken, veel meer dan waar jullie ooit zullen komen met je naar binnen gerichte blik - jullie proberen jezelf als het ware uit te vinden, voegt hij er lachend aan toe.
En wat eerst onderzoek was is door onze kennis het bouwen van ruimte geworden. Welnu, met mij heb je een bouwer leren kennen. Een ontwerper die met behulp van een team materialen op allerlei geschiktheden onderzoekt, die materialen samenbalt tot een brok materie en dat dan de ruimte in schiet, om daar tot een onderdeel van het universum uit te groeien, met werelden die daarbij horen.
Maar die werelden leken allemaal erg op de onze. Op een dag kreeg ik een idee: geen bolvormig leven meer, grotere verscheidenheid van wezens en vormen ... wel dat wil ik je laten zien.
Hij neemt me mee naar iets wat wij een archief noemen, en pakt een "doos" van een plank. Geen papier, ook zo'n bolvorm met een schermpje waarop de inhoud tevoorschijn komt. Ik zie zijn teamleden materialen zoeken, onderzoeken, soms zoomt hij in op een activiteit als mijn vraagtekens te groot worden, als ze een bol materie maken, en dan ... daar is in de open lucht iets wat je als installatie aan kunt duiden: de bol materie wordt neergelegd, de werkers gaan op gepaste afstand, plotseling komt de installatie tot leven, het pakt de bol op die inmiddels gloeiend wit, of wit licht is, wie zal het zeggen, en slingert het de ruimte in.
Lèma manipuleert met de doos en zegt: nu gaan we wat verder in de tijd, kijk hier gaat het zich ergens in de ruimte ontwikkelen.
Ik zie iets wat wij een big bang zouden noemen, en ik zeg dat tegen mijn begeleider, die ik langzaam maar zeker als leermeester ga zien.
Hoe oud ben jij wel niet?
Mijn tijd is een andere tijd dan de jouwe, volstaat hij. Let maar eens op.
En even later: herken je dit?
Ik zie iets wat wij een zonnestelsel noemen, zeg ik.
Herken je het niet?.
Ik kijk eens goed en zeg: als ik niet beter wist zou ik zweren dat dat mijn aarde is.
Wat weet je dan beter, vraagt hij, kijk hier eens naar.
Nu zoomt hij heel erg in en ...
Ik moet een tijdje buiten bewustzijn zijn geweest, van de schrik. Kátâ Langkâ duwt zachtjes tegen mijn hoofd, en ik word weer wakker. Lèma kijkt me vriendelijk aan. Sorry, ik had niet gedacht dat je zo zou reageren, jullie die zo graag naar jezelf kijken. Jaja, jij zit achter de vleugel een liedje te verzinnen en wij kunnen dat hier zien.
Niet dat we er op letten hoor, maar tijdens de evaluatie van een ander project vroeg iemand hoe het nu in dit vroegere project gelopen was. En toen kwam iemand op het idee om daar in het echt, van dichtbij naar te kijken. En zo zijn we op jou gestoten.
En nu vertellen ze me een heleboel. Ik mag ook een heleboel vragen. Ik hoor hoe ze delen van het universum gebruiken als proeftuin. Het doel daarvan vind ik nog het leukste: puur vermaak, ze hebben niks beters te doen.
Ik ben nu wel een beetje van mijn verbazing bekomen, zeg ik tegen Lèma, maar eigenlijk zit ik hier, als je de ID'ers mag geloven, gewoon met God te praten. Hoe zit dat, als iemand van ons dood gaat, haal je hem dan hierheen terug, zoals sommige mensen wel beweren ... en plotseling schrik ik bij die gedachte ... ik ben toch niet dood mag ik hopen.
Nee hoor, niet dat ik weet, en als je dat wel zou zijn had ik je niet hierheen gehaald. We zijn hier geen vuilnisbak. Hij wordt er vrolijk van.
Ha ha, maar je hoeft voor mij niet te buigen ... en bidden helpt ook niet, ik heb jullie, zoals je zag, in het archief opgeborgen, ik heb leukere dingen te doen. Ik hoef niet voor God te spelen, ik ben liever designer.
Ja, zegt Kátâ Langkâ, mijn Lèma is een premier league designer.
Hm, 't gaat ook wel eens fout, mompelt hij bescheiden. De samenstelling van zo'n brok materie, de juiste elementen in de juiste hoeveelheid, en dan de verpakking die zorgt dat we het naar de gewenste plek kunnen schieten ...
Maar meestal gaat het goed Lèma, zegt Kátâ en, terwijl ze mij aankijkt, hij is zeer intelligent.
Het lijkt wel een soort sleutelwoord. Zo van, nu weet je het wel.
Ongeveer het laatste contact. Ik krijg het gevoel dat ik alleen achtergelaten word. En dan ... daar ben ik weer in mijn eigen wereld.
Ik moet dagen weg zijn geweest. Maar als ik daarover schuldgevoelens toon tegenover mijn trouwe viervoetster Bianc'orsa, kijkt ze me aan zo van: wat doe je vreemd baasje, vul mijn bak nou maar.
Wat had die Lèma Kátâ me nog nageroepen, terwijl zijn eigen wereld zich van mij losmaakte. ... en die Intelligent Designer hoort er in ... nee, er had iets van God vergeten bijgezeten. Ja, nu weet ik het weer: die scheppende God van jullie mag je best uit je hoofd zetten van mij, maar die Intelligent Designer, da's een goeie, ha ha, die moet je erin houden.
En nu weet ik weer waarom zo plotseling het gordijn viel. Moest vallen. Er brandde een vraag op mijn lippen: als jij naar mij kunt kijken, is er ook iemand ... Ze konden natuurlijk mijn gedachten lezen, en van die vraag wilden ze niet horen.
Als ik mijn lieve Bianc'orsa nog eens over de kop aai en in haar bruine ogen kijk, denk ik opeens met weemoed terug aan Kátâ Langkâ. Toch wel een lief mens, ik begin haar nu al te missen.
Maar die man van haar, die Intelligent Designer, dat gaat hier nog stof doen opwaaien.
Ik bedoel, ik heb het gevoel dat ik een boodschap moet doorgeven. Ik heb een ervaring gehad.
Ik hou niet van boodschappen, en al helemaal niet gedwongen. En ervaringen doen me griezelen.
Nog erger, je zou het ook wel een openbaring kunnen noemen. En ik heb toch echt helemaal niks met die Johannes van Patmos.
Ik moet er bij zeggen, het is niet vreemd dat ik die ervaring gehad heb.
Veel mensen, ook wetenschappers, denken bij eeuwigheid aan een halve eeuwigheid - de eeuwigheid die voor ze ligt. Maar ik heb ook oog voor die eeuwigheid die achter me ligt. Bij mij is het niet allemaal bij de big bang begonnen. Er was geen begin.
Veel mensen denken bij die oneindige ruimte aan het grote, het onmetelijk verspreide. Maar ik zie ook het oneindig kleine. Het uitdijende heelal is een feit, maar het ingekrompen universum op nanoniveau en nog kleiner bestaat ook.
Ik denk daarom dat het mijn ontvankelijkheid voor deze dingen is geweest die mij dit ... ja hoe zal ik het noemen ...
... laten we het doorkijkje noemen. Doorkijkje noem ik dat wat je krijgt als je in een Italiaans bergstadje dwaalt. En ineens kijk je door een steegje, een paar bogen halverwege ... goed restaurant trouwens, I Tre Archi ... en onder die boogjes door kijk je dan op de vallei of tegen een ander, verder weg liggend bergstadje.
Een doorkijkje dus.
Ik bevond mij in een voor mij vreemde ...
Nee, laat ik in de tegenwoordige tijd spreken, de ervaring was er intens genoeg voor.
Ik bevind mij in een voor mij onbekende wereld. Een soort platland, maar niet echt platland, het is driedimensionaal - kan zijn dat het ook meerdimensionaal is, ik ben niet zo goed in denken in meer dan drie ruimtelijke dimensies. Het is wel een wereld vol leven. Van afstand gezien ronde bolletjes die door elkaar heen krioelen, als in zo'n speelbak voor kleine kinderen in de grote winkelcentra. Maar U kunt beter aan een plas met kroos denken. Alleen dan bijna kleurloos.
Dat het leeft weet ik, omdat ik één van die bolletjes als metgezel heb; ik zou hem haast vriend gaan noemen, ware het niet dat hij zo vreemd is. Het is een soort bolvorm, ogenschijnlijk geen echte uiterlijke kenmerken. Geen gezicht, maar hij kan door vormverandering van een bepaalde plek, of door rimpeling wel expressie tonen. Hij heeft geen mond, maar hij praat wel met me.
Dat vond ik de eerste dag vreemd maar ik geloof dat ik het nu wel begrijp. Een vorm van telepathie, maar zijn woorden geven mij wel de indruk dat ik ze hoor. Engelse woorden. Ik noem de wezens dan ook dzjumpers. Denk aan jump, maar het is mijn manier van verstaan. Zoals een Engelse vriendin mij ooit zei: never missing an opportunity to surprise us with your pronunciation, eigh Leonardo.
De bollen springen om te bewegen. Wel, om elkaar iets te zeggen kunnen ze ook gewoon naar elkaar toe rollen.
Lèma Kátâ, dat is zijn naam, is ongeveer even hoog als ik, je mag hem fors noemen, vergeleken met anderen. Hij leidt me rond, vertelt me hier en daar wat, en heeft mij ook een computer gegeven waarmee ik allerlei dingen over zijn wereld kan lezen. Hij heeft mij een soort ruimte bezorgd, een open plek, niets heeft hier een dak boven het hoofd, waar ik ongestoord kan lezen en om mij heen zien. 's Morgens brengt hij me daarheen, 's avonds komt hij me ophalen.
's Avonds en 's morgens zijn relatieve aanduidingen, er is geen nacht, althans niet zolang ik hier ben. Maar er is wel rusttijd.
Ik heb een vaag, onrust gevend gevoel dat ik in een initiatiefase zit. Ik mag van alles lezen op de computer, maar er zijn grenzen. Zo gauw ik wil duiken in dat wat wij geschiedenis noemen, of verbanden probeer te zoeken analoog aan wat wij wel als samenleving zien, kom ik steeds in een zwart gat. Koetjes en kalfjes, huisje boompje beestje, dat is er genoeg.
Als ik zo een aantal dagen heb doorgebracht - ik tel mijn dagen maar naar de rustperiodes - komt Lèma Kátâ mij ophalen. Hij wordt vergezeld door een ander, soortgelijk wezen. Het blijkt zijn partner te zijn. Nu ik er over nadenk, ik zag ook vrouwelijke trekjes ... maar dat moet de begoocheling zijn waarmee mijn eigen brein de dingen naar zijn hand zet: ik kan natuurlijk alleen maar denken in mannelijk en vrouwelijk.
Kijk zegt Lèma Kátâ tegen Kátâ Langkâ, zo blijkt "ze" te heten, dit izzum dan. En zij zegt: dat heb je toch mooi voor elkaar gebokst. Ik kijk Lèma vragend aan: dat heb je ... maar hij zwaait afwerend heen en weer: dat gaan we de komende tijd bespreken.
Het maakt mij onrustiger dan ik mezelf wil toegeven, maar Kátâ is zulk aardig en vrolijk gezelschap dat ik mijn bezorgdheid ras voel verdwijnen. Mijn door menselijke driften gestuurde geest denkt onmiddellijk aan de seks tussen die twee - hoe zouden ze dat doen - maar wie vraagt zoiets aan een alleraardigste dame die hij net heeft leren kennen.
Überhaupt zou ik wel eens willen weten hoe het hier gaat met de voortplanting - daarover ook niks op de computer. Er is zichtbare natuur, allemaal bolachtige vormen, ook wel gecompliceerd, denk aan ballonnen die in meerdere delen gewrongen zijn om figuren te maken. 't Is allemaal een beetje kleurloos, saai. 't Is allemaal ook heel vreedzaam, alsof je zou mogen denken dat onze struggle, en het vechten tegen elkaar, als hoogste doel hebben de schoonheid van onze omgeving te bewerkstelligen.
Na een zeer aangename "avond" waarin mij veel gevraagd wordt over waar ik vandaan kom en hoe het daar is, en ik wel veel vertel - dat is mijn aard - maar waarin mijn vragen niet echt aan bod komen, gaan we rusten. Met de belofte van Lèma Kátâ dat de volgende dagen mij een hoop duidelijk zal worden. Ik zie wel dat Lèma en Kátâ dicht tegen elkaar aan liggen.
Als ze de volgende dag weggaan nodigen ze mij uit om hen te vergezellen. Tot nu toe had Lèma mij weggehouden van sociale contacten, maar nu word ik op zijn werk in een warm bad ondergedompeld. Hij blijkt een laboratorium onder zijn beheer te hebben. En hij stelt me voor aan veel van zijn medewerkers. En steeds diezelfde reactie: dit is toch wat je je .. ook wel: dit is precies wat we ons voorgesteld hebben. Ik word ook beduwd, eerst denk ik dat het een soort van begroeting is, maar mij wordt snel duidelijk dat het onderzoekingen zijn.
Dan neemt Lèma mij mee naar zijn werkplek. Ik wil je graag over één van mijn vorige projecten vertellen zegt hij.
Luister, je hebt gezien, en ik heb het je ook horen denken, dat wij hier in een nogal saaie omgeving leven. Zeg maar: een platte omgeving. Vandaar dat wij niet naar onszelf kijken, niet zoals jullie dat zo graag doen; wij kijken naar boven, in de ruimte. En zo hebben we één en ander over de ruimte opgestoken, veel meer dan waar jullie ooit zullen komen met je naar binnen gerichte blik - jullie proberen jezelf als het ware uit te vinden, voegt hij er lachend aan toe.
En wat eerst onderzoek was is door onze kennis het bouwen van ruimte geworden. Welnu, met mij heb je een bouwer leren kennen. Een ontwerper die met behulp van een team materialen op allerlei geschiktheden onderzoekt, die materialen samenbalt tot een brok materie en dat dan de ruimte in schiet, om daar tot een onderdeel van het universum uit te groeien, met werelden die daarbij horen.
Maar die werelden leken allemaal erg op de onze. Op een dag kreeg ik een idee: geen bolvormig leven meer, grotere verscheidenheid van wezens en vormen ... wel dat wil ik je laten zien.
Hij neemt me mee naar iets wat wij een archief noemen, en pakt een "doos" van een plank. Geen papier, ook zo'n bolvorm met een schermpje waarop de inhoud tevoorschijn komt. Ik zie zijn teamleden materialen zoeken, onderzoeken, soms zoomt hij in op een activiteit als mijn vraagtekens te groot worden, als ze een bol materie maken, en dan ... daar is in de open lucht iets wat je als installatie aan kunt duiden: de bol materie wordt neergelegd, de werkers gaan op gepaste afstand, plotseling komt de installatie tot leven, het pakt de bol op die inmiddels gloeiend wit, of wit licht is, wie zal het zeggen, en slingert het de ruimte in.
Lèma manipuleert met de doos en zegt: nu gaan we wat verder in de tijd, kijk hier gaat het zich ergens in de ruimte ontwikkelen.
Ik zie iets wat wij een big bang zouden noemen, en ik zeg dat tegen mijn begeleider, die ik langzaam maar zeker als leermeester ga zien.
Hoe oud ben jij wel niet?
Mijn tijd is een andere tijd dan de jouwe, volstaat hij. Let maar eens op.
En even later: herken je dit?
Ik zie iets wat wij een zonnestelsel noemen, zeg ik.
Herken je het niet?.
Ik kijk eens goed en zeg: als ik niet beter wist zou ik zweren dat dat mijn aarde is.
Wat weet je dan beter, vraagt hij, kijk hier eens naar.
Nu zoomt hij heel erg in en ...
Ik moet een tijdje buiten bewustzijn zijn geweest, van de schrik. Kátâ Langkâ duwt zachtjes tegen mijn hoofd, en ik word weer wakker. Lèma kijkt me vriendelijk aan. Sorry, ik had niet gedacht dat je zo zou reageren, jullie die zo graag naar jezelf kijken. Jaja, jij zit achter de vleugel een liedje te verzinnen en wij kunnen dat hier zien.
Niet dat we er op letten hoor, maar tijdens de evaluatie van een ander project vroeg iemand hoe het nu in dit vroegere project gelopen was. En toen kwam iemand op het idee om daar in het echt, van dichtbij naar te kijken. En zo zijn we op jou gestoten.
En nu vertellen ze me een heleboel. Ik mag ook een heleboel vragen. Ik hoor hoe ze delen van het universum gebruiken als proeftuin. Het doel daarvan vind ik nog het leukste: puur vermaak, ze hebben niks beters te doen.
Ik ben nu wel een beetje van mijn verbazing bekomen, zeg ik tegen Lèma, maar eigenlijk zit ik hier, als je de ID'ers mag geloven, gewoon met God te praten. Hoe zit dat, als iemand van ons dood gaat, haal je hem dan hierheen terug, zoals sommige mensen wel beweren ... en plotseling schrik ik bij die gedachte ... ik ben toch niet dood mag ik hopen.
Nee hoor, niet dat ik weet, en als je dat wel zou zijn had ik je niet hierheen gehaald. We zijn hier geen vuilnisbak. Hij wordt er vrolijk van.
Ha ha, maar je hoeft voor mij niet te buigen ... en bidden helpt ook niet, ik heb jullie, zoals je zag, in het archief opgeborgen, ik heb leukere dingen te doen. Ik hoef niet voor God te spelen, ik ben liever designer.
Ja, zegt Kátâ Langkâ, mijn Lèma is een premier league designer.
Hm, 't gaat ook wel eens fout, mompelt hij bescheiden. De samenstelling van zo'n brok materie, de juiste elementen in de juiste hoeveelheid, en dan de verpakking die zorgt dat we het naar de gewenste plek kunnen schieten ...
Maar meestal gaat het goed Lèma, zegt Kátâ en, terwijl ze mij aankijkt, hij is zeer intelligent.
Het lijkt wel een soort sleutelwoord. Zo van, nu weet je het wel.
Ongeveer het laatste contact. Ik krijg het gevoel dat ik alleen achtergelaten word. En dan ... daar ben ik weer in mijn eigen wereld.
Ik moet dagen weg zijn geweest. Maar als ik daarover schuldgevoelens toon tegenover mijn trouwe viervoetster Bianc'orsa, kijkt ze me aan zo van: wat doe je vreemd baasje, vul mijn bak nou maar.
Wat had die Lèma Kátâ me nog nageroepen, terwijl zijn eigen wereld zich van mij losmaakte. ... en die Intelligent Designer hoort er in ... nee, er had iets van God vergeten bijgezeten. Ja, nu weet ik het weer: die scheppende God van jullie mag je best uit je hoofd zetten van mij, maar die Intelligent Designer, da's een goeie, ha ha, die moet je erin houden.
En nu weet ik weer waarom zo plotseling het gordijn viel. Moest vallen. Er brandde een vraag op mijn lippen: als jij naar mij kunt kijken, is er ook iemand ... Ze konden natuurlijk mijn gedachten lezen, en van die vraag wilden ze niet horen.
Als ik mijn lieve Bianc'orsa nog eens over de kop aai en in haar bruine ogen kijk, denk ik opeens met weemoed terug aan Kátâ Langkâ. Toch wel een lief mens, ik begin haar nu al te missen.
Maar die man van haar, die Intelligent Designer, dat gaat hier nog stof doen opwaaien.
Tuesday, October 28, 2014
kort ... maar niet bescheten
Het zal nu zo'n tien jaar geleden zijn dat ik een mailtje kreeg van één van mijn broers. Hij vroeg mij het mailadres van mijn schoonzuster, vrouw van een overleden broer. Zojuist was ons zusje gestorven - kanker, en dat zou je een plaag kunnen noemen in het gezin waarin ik ben opgegroeid, mijn broer was daar ook aan dood gegaan. Hij wilde met gegevens van mijn broer naar het Antonie van Leeuwenhoek, om ... tja, waarom doet een mens zoiets?
Ik heb geantwoord dat ik nooit andermans mailadressen bekend maak, maar dat hij ongetwijfeld het huisadres van mijn broer nog had.
Ik heb nog iets anders gedaan. Ik heb de op dat moment gerealiseerde gemiddelde leeftijd van mijn familie uitgerekend. U moet weten, in mijn familie wordt nogal laat gestorven. Ik heb een oom die is 96 geworden, en die zou vermoedelijk nu nog zijn rondje door het dorp maken, ware het niet dat hij met één been in de verkeerde broekspijp stapte, daar waar al een been in zat.
En ik vertelde mijn broer erbij dat we eigenlijk al een gezegende familie waren, want onze gerealiseerde leeftijd was inmiddels hoger dan de levensverwachting die we bij onze geboorte mochten hebben.
Misschien niet heel erg aardig, maar ja, zo liggen de verhoudingen.
Ik was nog geen zes jaar oud toen mijn moeder overleed, veels te jong. Kanker, ergens in de buik.
Toen ging mijn lieve broer dood, halverwege de dertig. Kanker in de alvleesklier.
Toen ging één van mijn twee liefste zusjes dood, net zestig. Kanker, in de maag meen ik mij te herinneren.
Toen ging een ander zusje dood, 65 jaar oud. Ook kanker, ook het spijsverteringsstelsel.
Inmiddels trekken we allemaal van Drees - eentje moet nog heel even wachten. De eersten zijn de rijen van de tachtigers binnen gemarcheerd, er zijn er veel van ons.
Ik kijk nog wel eens naar de gerealiseerde gemiddelde leeftijd, die is inmiddels ruim 72 jaar. Als ik die bereken neem ik de leeftijden van het gezin van mijn vader - een sterk geslacht - van het gezin van mijn moeder - iets minder sterk - en van de kinderen van mijn vader en moeder, inclusief partners. Als ik daar de nu geldende levensverwachting bij optel komen we uit op ruim 80 jaar.
Vooral het gezin waar mijn vader uit komt is daar debet aan. Als ik een meisje, dat op twaalfjarige leeftijd overleed niet meetel, hebben ze gemiddeld 85 jaar rond gelopen!
Uiteraard heb ook ik aan mijn huisarts melding gemaakt van die overlijdensgevallen in mijn familie, en, na het laatste sterfgeval, de vraag gesteld die zoveel wereldverbeteraars en ander onverbeterlijk volk stellen: wat nu. We hebben besloten af en toe bloed te prikken want, zoals de man zei: je kan heel wat laten onderzoeken, maar niet alle onderzoeken zijn even prettig en dat moet je dan heel frequent doen. Maar, constateerden we samen, we gaan allemaal één keer dood.
Dus ik laat af en toe trouw mijn bloed controleren, en zo is er een verhoogd PSA geconstateerd. Ik heb het lang proberen uit te stellen, maar op enig moment wilde mijn huisarts dat ik naar het Antonie van Leeuwenhoek ging. Nu wordt het te bar, Leonardo. Ik ben daar een paar keer geweest, en het enige dat ze geconstateerd hebben is dat er een zekere kans is dat ik prostaatkanker krijg. Na twee zulke bezoekjes heb ik voorgesteld dat mijn huisarts mijn bloed in de gaten zou houden. Jullie hebben het al druk genoeg, zei ik Daar waren ze het mee eens.
Zo ga ik nu al een jaar of zeven door het leven. Laatst hoefde ik mijn huisarts niet voor de uitslag te bellen, hij belde mij zelf: Leonardo, ik wil dat je nu terug gaat naar de kliniek, je PSA is echt veel en veels te hoog.
Ik ben daar heen gegaan. Voor de afspraak prikken ze zelf ook nog even bloed, voor de zekerheid. Na mijn bloed afgegeven te hebben ben ik ver van de patiënten vandaan gegaan - je moet dat een paar uur van tevoren doen - en toen daar eindelijk mijn tijd was, ben ik naar de wachtruimte gegaan, nog steeds zo ver mogelijk van de "echte" patiënten. Ik wilde geen patiënt zijn. U ziet: ik was behoorlijk ongerust.
Ik was nog niet helemaal de spreekkamer binnen of de dokter zei: nou, niks aan de hand meneer, U hoeft zich geen zorgen te maken.
Wat was er dan wel aan de hand?
Ik was een paar weken daarvoor in het ziekenhuis in Italië opgenomen geweest, "ernstig" ziek zonder dat duidelijk was wat mij mankeerde. Hoge koorts die maar niet weg wilde gaan. Ze hebben me daar een week gehouden, allerlei onderzoeken, om me onverrichter zake - behalve dan dat de koorts teruggebracht was met ladingen paracetamol - weer te laten gaan.
Ik had dat vooraf aan het AvL laten weten.
U heeft vermoedelijk prostaatontsteking gehad, zei de dokter. En als je dan een paar dagen te laat naar het ziekenhuis gaat zijn daar, behalve de koorts, geen sporen meer van te vinden. Behalve dat je PSA omhoog schiet. En wat we vandaag gemeten hebben is weer de voor U normale waarde.
Ik geloof het nu allemaal wel. Dood gaan we toch wel een keer. Ik slik trouw mijn bloeddrukpilletje. Meer voor mijn huisarts dan voor mezelf laat ik mijn bloed zo nu en dan nog prikken. En als ik "te vroeg" dood ga ... wel, bij ons thuis ging de spreuk: het leven is als een kinderhemd, kort maar bescheten. Ik mag alleen maar hopen dat ik van mijn "lijdenstijd" dan ook nog iets fatsoenlijks kan maken.
En zal mijn leven dan te kort geweest zijn, het was zeker niet bescheten.
Goeie eindtekst, trouwens.
Maar, ik wil niet over mijn dood heen regeren. Dus ik zal me niet bemoeien met de wijze van aankondiging. Wat mij betreft mogen ze zelfs het cliché opschrijven: hij heeft een gevuld en rijk leven gehad.
Ik heb geantwoord dat ik nooit andermans mailadressen bekend maak, maar dat hij ongetwijfeld het huisadres van mijn broer nog had.
Ik heb nog iets anders gedaan. Ik heb de op dat moment gerealiseerde gemiddelde leeftijd van mijn familie uitgerekend. U moet weten, in mijn familie wordt nogal laat gestorven. Ik heb een oom die is 96 geworden, en die zou vermoedelijk nu nog zijn rondje door het dorp maken, ware het niet dat hij met één been in de verkeerde broekspijp stapte, daar waar al een been in zat.
En ik vertelde mijn broer erbij dat we eigenlijk al een gezegende familie waren, want onze gerealiseerde leeftijd was inmiddels hoger dan de levensverwachting die we bij onze geboorte mochten hebben.
Misschien niet heel erg aardig, maar ja, zo liggen de verhoudingen.
Ik was nog geen zes jaar oud toen mijn moeder overleed, veels te jong. Kanker, ergens in de buik.
Toen ging mijn lieve broer dood, halverwege de dertig. Kanker in de alvleesklier.
Toen ging één van mijn twee liefste zusjes dood, net zestig. Kanker, in de maag meen ik mij te herinneren.
Toen ging een ander zusje dood, 65 jaar oud. Ook kanker, ook het spijsverteringsstelsel.
Inmiddels trekken we allemaal van Drees - eentje moet nog heel even wachten. De eersten zijn de rijen van de tachtigers binnen gemarcheerd, er zijn er veel van ons.
Ik kijk nog wel eens naar de gerealiseerde gemiddelde leeftijd, die is inmiddels ruim 72 jaar. Als ik die bereken neem ik de leeftijden van het gezin van mijn vader - een sterk geslacht - van het gezin van mijn moeder - iets minder sterk - en van de kinderen van mijn vader en moeder, inclusief partners. Als ik daar de nu geldende levensverwachting bij optel komen we uit op ruim 80 jaar.
Vooral het gezin waar mijn vader uit komt is daar debet aan. Als ik een meisje, dat op twaalfjarige leeftijd overleed niet meetel, hebben ze gemiddeld 85 jaar rond gelopen!
Uiteraard heb ook ik aan mijn huisarts melding gemaakt van die overlijdensgevallen in mijn familie, en, na het laatste sterfgeval, de vraag gesteld die zoveel wereldverbeteraars en ander onverbeterlijk volk stellen: wat nu. We hebben besloten af en toe bloed te prikken want, zoals de man zei: je kan heel wat laten onderzoeken, maar niet alle onderzoeken zijn even prettig en dat moet je dan heel frequent doen. Maar, constateerden we samen, we gaan allemaal één keer dood.
Dus ik laat af en toe trouw mijn bloed controleren, en zo is er een verhoogd PSA geconstateerd. Ik heb het lang proberen uit te stellen, maar op enig moment wilde mijn huisarts dat ik naar het Antonie van Leeuwenhoek ging. Nu wordt het te bar, Leonardo. Ik ben daar een paar keer geweest, en het enige dat ze geconstateerd hebben is dat er een zekere kans is dat ik prostaatkanker krijg. Na twee zulke bezoekjes heb ik voorgesteld dat mijn huisarts mijn bloed in de gaten zou houden. Jullie hebben het al druk genoeg, zei ik Daar waren ze het mee eens.
Zo ga ik nu al een jaar of zeven door het leven. Laatst hoefde ik mijn huisarts niet voor de uitslag te bellen, hij belde mij zelf: Leonardo, ik wil dat je nu terug gaat naar de kliniek, je PSA is echt veel en veels te hoog.
Ik ben daar heen gegaan. Voor de afspraak prikken ze zelf ook nog even bloed, voor de zekerheid. Na mijn bloed afgegeven te hebben ben ik ver van de patiënten vandaan gegaan - je moet dat een paar uur van tevoren doen - en toen daar eindelijk mijn tijd was, ben ik naar de wachtruimte gegaan, nog steeds zo ver mogelijk van de "echte" patiënten. Ik wilde geen patiënt zijn. U ziet: ik was behoorlijk ongerust.
Ik was nog niet helemaal de spreekkamer binnen of de dokter zei: nou, niks aan de hand meneer, U hoeft zich geen zorgen te maken.
Wat was er dan wel aan de hand?
Ik was een paar weken daarvoor in het ziekenhuis in Italië opgenomen geweest, "ernstig" ziek zonder dat duidelijk was wat mij mankeerde. Hoge koorts die maar niet weg wilde gaan. Ze hebben me daar een week gehouden, allerlei onderzoeken, om me onverrichter zake - behalve dan dat de koorts teruggebracht was met ladingen paracetamol - weer te laten gaan.
Ik had dat vooraf aan het AvL laten weten.
U heeft vermoedelijk prostaatontsteking gehad, zei de dokter. En als je dan een paar dagen te laat naar het ziekenhuis gaat zijn daar, behalve de koorts, geen sporen meer van te vinden. Behalve dat je PSA omhoog schiet. En wat we vandaag gemeten hebben is weer de voor U normale waarde.
Ik geloof het nu allemaal wel. Dood gaan we toch wel een keer. Ik slik trouw mijn bloeddrukpilletje. Meer voor mijn huisarts dan voor mezelf laat ik mijn bloed zo nu en dan nog prikken. En als ik "te vroeg" dood ga ... wel, bij ons thuis ging de spreuk: het leven is als een kinderhemd, kort maar bescheten. Ik mag alleen maar hopen dat ik van mijn "lijdenstijd" dan ook nog iets fatsoenlijks kan maken.
En zal mijn leven dan te kort geweest zijn, het was zeker niet bescheten.
Goeie eindtekst, trouwens.
Maar, ik wil niet over mijn dood heen regeren. Dus ik zal me niet bemoeien met de wijze van aankondiging. Wat mij betreft mogen ze zelfs het cliché opschrijven: hij heeft een gevuld en rijk leven gehad.
Wednesday, October 22, 2014
anosociatie
Ook al zo'n woord dat best had kunnen bestaan, "anosociatie". Het schoot me laatst te binnen, vanwege een commenter die mij vertelde dat ik dingen door elkaar haalde - terwijl ik alleen maar mijn blikveld van boom naar bos verplaatste - of mij liet weten, toen ik op een analogie tussen twee gebeurtenissen had gewezen: die analogie is er wel, maar anders dan je denkt - terwijl ik in alle talen had gezwegen over welk analogisch verband ik dan wel zag.
Ach, ik kan (tegenwoordig!) lichtvoetig omgaan met die dingen. Bovendien, het bracht weer een idee, dus hem zij geloofd en geprezen - uiteraard was het een hem, zoals het sinds alle tijden ook een Hem is die lof en ere wordt toegebracht ... voor Hem mag weten wat.
Anosociatie dus.
Het had een samentrekking kunnen zijn van analogie en associatie. De associatie is er als je het ene ding ziet en het doet je aan iets anders denken dat daar ogenschijnlijk geen verband mee houdt. De analogie is er als je licht kunt werpen op het ene fenomeen door er een ander fenomeen tegenover te stellen dat daar ogenschijnlijk geen verband mee houdt.
Als ding en fenomeen - de gezamenlijke oprispingen van meerdere dingen - ergens in verband komen, in een goed gesprek, of bij een wandeling in de vrije natuur, dan zou dit woord heel goed gebruikt kunnen worden.
Anosociatie!
Best wel een mooi woord ... uh ... eigenlijk.
Gek dat nooit iemand eerder dat heeft bedacht.
» Leonardo, heb je een voorbeeld?
» Jazeker.
» Een positieve dit keer?
» Absoluut.
» Vertel!
Het zal in de jaren zestig van de vorige eeuw zijn geweest dat een studente tijdens een college van de hoogleraar Buytendijk opstond en vroeg: wat is dat, professor, analoog - een woord dat Buytendijk zojuist gebruikt had.
Dat zal ik je zeggen lief kind, zei de hoogleraar, op paternalistische toon, met boventonen die ook nog wel verder droegen dan dat.
Tegenwoordig zouden ze het hebben over mansplaining.
Luister, zei de man tot het meisje, je gaat aan het eind van een mooie middag een flinke wandeling maken in het bos, maar hebt niet in de gaten dat er een noodweer aankomt. Op enig moment zit je daar midden in, bliksem donder hagelstenen. Enigszins in paniek raak je ook nog de weg kwijt, en een tijdje later loop je daar in het donker, tussen hoge bomen terwijl het onweer boven je hoofd hangt. Je ziet een oud huis, klopt op de deur en roept om hulp.
Er doet een oud boertje open, lelijke kop, een paar rotte tanden in de mond, en je vraagt of hij je kan helpen en je een slaapplaats aan wilt bieden.
Geen probleem, zegt de man, maar U moet weten, ik heb maar twee bedden in huis, in het ene slaapt mijn dochter, het andere is mijn bed.
Welk bed kies je, vroeg de professor aan de studente.
Dat van de dochter, antwoordde de jonge vrouw, zonder aarzelen.
Precies wat ik ook zou doen, zei Buytendijk, en dat is nu een geval van analogie.
Aan de hele houding van onze geachte hoogleraar was ondertussen, hoe langer hoe meer, af te lezen dat hij heel graag die oude boer wilde zijn, wel of geen rotte tanden in zijn bek, en graag zou wonen in dat krot in het bos, maar dan zonder dochter en zonder tweede bed, in de hoop dat deze studente bij hem aan zou bellen ... en dromend van iedere dag noodweer en wandelende studentes die in moeilijkheden zouden komen.
Kijk, hier hebben we nu een typisch geval van anosociatie.
Ach, ik kan (tegenwoordig!) lichtvoetig omgaan met die dingen. Bovendien, het bracht weer een idee, dus hem zij geloofd en geprezen - uiteraard was het een hem, zoals het sinds alle tijden ook een Hem is die lof en ere wordt toegebracht ... voor Hem mag weten wat.
Anosociatie dus.
Het had een samentrekking kunnen zijn van analogie en associatie. De associatie is er als je het ene ding ziet en het doet je aan iets anders denken dat daar ogenschijnlijk geen verband mee houdt. De analogie is er als je licht kunt werpen op het ene fenomeen door er een ander fenomeen tegenover te stellen dat daar ogenschijnlijk geen verband mee houdt.
Als ding en fenomeen - de gezamenlijke oprispingen van meerdere dingen - ergens in verband komen, in een goed gesprek, of bij een wandeling in de vrije natuur, dan zou dit woord heel goed gebruikt kunnen worden.
Anosociatie!
Best wel een mooi woord ... uh ... eigenlijk.
Gek dat nooit iemand eerder dat heeft bedacht.
» Leonardo, heb je een voorbeeld?
» Jazeker.
» Een positieve dit keer?
» Absoluut.
» Vertel!
Het zal in de jaren zestig van de vorige eeuw zijn geweest dat een studente tijdens een college van de hoogleraar Buytendijk opstond en vroeg: wat is dat, professor, analoog - een woord dat Buytendijk zojuist gebruikt had.
Dat zal ik je zeggen lief kind, zei de hoogleraar, op paternalistische toon, met boventonen die ook nog wel verder droegen dan dat.
Tegenwoordig zouden ze het hebben over mansplaining.
Luister, zei de man tot het meisje, je gaat aan het eind van een mooie middag een flinke wandeling maken in het bos, maar hebt niet in de gaten dat er een noodweer aankomt. Op enig moment zit je daar midden in, bliksem donder hagelstenen. Enigszins in paniek raak je ook nog de weg kwijt, en een tijdje later loop je daar in het donker, tussen hoge bomen terwijl het onweer boven je hoofd hangt. Je ziet een oud huis, klopt op de deur en roept om hulp.
Er doet een oud boertje open, lelijke kop, een paar rotte tanden in de mond, en je vraagt of hij je kan helpen en je een slaapplaats aan wilt bieden.
Geen probleem, zegt de man, maar U moet weten, ik heb maar twee bedden in huis, in het ene slaapt mijn dochter, het andere is mijn bed.
Welk bed kies je, vroeg de professor aan de studente.
Dat van de dochter, antwoordde de jonge vrouw, zonder aarzelen.
Precies wat ik ook zou doen, zei Buytendijk, en dat is nu een geval van analogie.
Aan de hele houding van onze geachte hoogleraar was ondertussen, hoe langer hoe meer, af te lezen dat hij heel graag die oude boer wilde zijn, wel of geen rotte tanden in zijn bek, en graag zou wonen in dat krot in het bos, maar dan zonder dochter en zonder tweede bed, in de hoop dat deze studente bij hem aan zou bellen ... en dromend van iedere dag noodweer en wandelende studentes die in moeilijkheden zouden komen.
Kijk, hier hebben we nu een typisch geval van anosociatie.
Friday, October 17, 2014
heeft de slang nu wel of niet gesproken
In verband met de actuele toestand in de wereld heb ik nogmaals een post als gastschrijver op het evolutieblog van Marleen Roelofs gepubliceerd.
hier is de link heeft de slang nu wel of niet gesproken
hier is de link heeft de slang nu wel of niet gesproken
Thursday, October 16, 2014
impronte
woorden drijven heen en weer
tussen verre kusten
die een oceaan gevangen houden ...
sulla spiaggia si mangia cipolle e peperoni
ook het gebaar moet woord worden
en de ervaring kan niet meer brengen
dan wat in het hersenpannetje gestoofd is ...
in padella gramigna alla L.
wat traag zou moeten zijn
ook gevangen
in de snelheid van het licht ...
tranne che fa tacere la fame
Subscribe to:
Posts (Atom)